Nederlanders kopen Spanje leeg? Wij doken in de cijfers
“Nederlandse geldmachines dragen bij aan de stijgende huizenprijzen en het woningtekort in Spanje.”
Dat is de stevige conclusie van een recent artikel van SpanjeVandaag. Volgens het artikel stromen Nederlandse vastgoedbeleggers in recordtempo naar Spanje, mede doordat investeren in Nederland minder aantrekkelijk is geworden. Het gevolg zou zijn dat de toch al krappe Spaanse woningmarkt verder onder druk komt te staan en dat de lokale bevolking steeds moeilijker een woning kan betalen.
Dat Nederlanders steeds meer belangstelling hebben voor Spaans vastgoed, staat buiten kijf. Maar zijn Nederlandse kopers daarmee ook een belangrijke oorzaak van de Spaanse woningcrisis?** **En worden Nederlanders in Spanje inmiddels daadwerkelijk gezien als de grote boosdoeners? Wij zijn in de cijfers gedoken.
Eerst het goede nieuws voor SpanjeVandaag: de Nederlandse belangstelling is écht groot
Laten we beginnen met wat gewoon klopt. Nederlanders zijn een belangrijke groep buitenlandse kopers in Spanje.
In 2025 waren Nederlanders in de provincie Alicante zelfs goed voor 12,53% van alle woningtransacties door nationaliteit, waarmee ze de grootste buitenlandse kopersgroep vormden. Britten volgden met 10,92%, daarna Belgen en Polen.
Ook in 2026 blijft de Nederlandse belangstelling groot. In het tweede kwartaal kochten Nederlanders 1.830 woningen in Spanje. Daarmee zaten ze vrijwel gelijk met de Britten, die 1.843 woningen kochten. Nederlanders waren goed voor 6,94% van de buitenlandse aankopen; de Britten voor 6,99%.
Dus nee: de Nederlandse koper is geen marginaal verschijnsel meer.
Maar dan komt de eerste belangrijke nuance.
Een Nederlandse koper is niet automatisch een vastgoedbelegger
SpanjeVandaag noemt de Nederlandse kopers in het artikel nadrukkelijk vastgoedbeleggers en spreekt vervolgens over “money machines”. Maar de cijfers over woningtransacties vertellen niet dat al deze Nederlanders woningen kopen om er commercieel rendement uit te halen. Dat verschil is nogal belangrijk.
Een Nederlander die een appartement in Jávea koopt om daar een paar maanden per jaar zelf te wonen, is iets anders dan iemand die vijf appartementen koopt om ze het hele jaar door te verhuren. En ook iemand die een woning koopt als toekomstige pensioenvoorziening is niet automatisch een vastgoedbelegger.
SpanjeVandaag schreef eerder zelf dat veel Nederlandse kopers hun Spaanse woning juist zien als tweede woning of pensioenvoorziening. In datzelfde artikel wordt bovendien gesteld dat Nederlanders nauwelijks als specifieke boosdoener naar voren komen bij lokale protesten tegen de woningproblematiek.
Dat is een belangrijk verschil met het beeld van de Nederlandse “geldmachine”.
Dan naar de Costa Blanca: hier wordt het verhaal wél serieus
Wie in Jávea woont, hoeft natuurlijk niet overtuigd te worden dat buitenlandse kopers een grote rol spelen. De officiële cijfers van het Spaanse notariaat laten zien hoe groot die rol inmiddels is. Tussen mei 2025 en april 2026 was 51,52% van alle woningkopers in de provincie Alicante buitenlands. In Xàbia/Jávea lag dat percentage op maar liefst 68,91%. In Calp was het 73,82% en in Torrevieja 78,59%. Dat zijn enorme percentages. Maar er zit een belangrijk verschil tussen: “68,91% van de kopers in Xàbia is buitenlands”
en:
“68,91% van de woningen in Xàbia is in buitenlandse handen.”
Het eerste is wat de cijfers zeggen.
Het tweede niet.
Het percentage gaat over woningtransacties in een bepaalde periode, niet over het totale woningbestand.
Dat onderscheid is belangrijk als je wilt begrijpen wat er werkelijk gebeurt.
Buitenlandse kopers hebben invloed. Absoluut.
Laten we daar ook niet omheen draaien.
Als in een kustplaats een groot deel van de kopers uit het buitenland komt en die kopers beschikken gemiddeld over meer eigen vermogen, dan kan dat de concurrentie om woningen versterken.
Dat geldt zeker in populaire gebieden waar het aanbod beperkt is.
De officiële cijfers laten bovendien zien dat buitenlandse vraag aan de Costa Blanca sterk geconcentreerd is in kustgemeenten. In het binnenland van Alicante ligt het aandeel buitenlandse kopers veel lager.
Dus ja:
Buitenlandse vraag kan lokale prijsdruk versterken.** **Dat is een verdedigbare conclusie. Maar dat is iets anders dan zeggen dat Nederlandse beleggers de Spaanse woningcrisis veroorzaken.
Want hier begint het verhaal te wringen
Spanje heeft namelijk een veel groter probleem. Het land heeft simpelweg veel te weinig woningen op de plekken waar de vraag groot is. De Banco de España schat het verschil tussen de groei van het aantal huishoudens en de nieuwbouwproductie tussen 2021 en 2025 op ongeveer 750.000 woningen. En misschien nog interessanter voor ons aan de Costa Blanca: Alicante behoort tot de zes Spaanse provincies waar meer dan de helft van dat nationale tekort geconcentreerd is.
Daarmee wordt het verhaal ingewikkelder.
Want als er honderd woningen beschikbaar zijn en tweehonderd mensen willen ze hebben, krijg je prijsdruk. Of die tweehonderd mensen nu Spanjaarden, Nederlanders, Belgen, Britten of Duitsers zijn. Het fundamentele probleem blijft dat er te weinig woningen zijn.
De Spaanse woningmarkt heeft dus niet alleen een buitenlandprobleem
Dat blijkt ook uit de cijfers van het Banco de España.
De centrale bank wijst niet uitsluitend naar buitenlandse kopers. Het tekort heeft onder meer te maken met te weinig nieuwbouw, beperkte beschikbaarheid van grond, bureaucratische procedures en onvoldoende bouwcapaciteit.
Sterker nog: van het totale tekort van circa 750.000 woningen bevindt zich ruim de helft in slechts zes provincies: Madrid, Barcelona, Alicante, Valencia, Murcia en Málaga. Dat vertelt ons iets belangrijks. De woningcrisis zit daar waar de vraag sterk groeit en het aanbod achterblijft.** **En ja, buitenlandse kopers zijn onderdeel van die vraag. Maar zij zijn niet de volledige verklaring.
En dan die Nederlandse verhuurders die uit Nederland vertrekken
SpanjeVandaag legt ook een directe link tussen de Nederlandse Wet betaalbare huur en het kapitaal dat vervolgens naar Spanje zou vloeien. Dat er in Nederland woningen door particuliere en bedrijfsmatige verhuurders worden verkocht, klopt. De Nederlandse overheid meldde bijvoorbeeld dat investeerders in de eerste helft van 2025 29.400 woningen verkochten, 41% meer dan in dezelfde periode een jaar eerder. Maar daarmee is nog niet aangetoond dat het merendeel van dat vrijgekomen Nederlandse vastgoedkapitaal vervolgens naar Spanje gaat. Dat is een belangrijk verschil tussen een plausibel verband en een bewezen oorzaak-gevolgrelatie.
SpanjeVandaag schrijft dat “een flink deel van dat kapitaal” zijn weg naar het buitenland zoekt. Maar hoeveel daarvan daadwerkelijk in Spaans vastgoed terechtkomt, is een andere vraag. En die onderbouwing ontbreekt in het artikel.
Worden Nederlanders in Spanje dan massaal als probleem gezien?
Dit is misschien wel de interessantste vraag. Want als Nederlanders daadwerkelijk een soort nieuwe ongewenste groep op de Spaanse woningmarkt zouden zijn, zou je dat ergens moeten terugzien.
In protesten.
In onderzoeken.
In opiniepeilingen.
In lokale politieke discussies.
Maar daar vinden we vooralsnog geen overtuigend bewijs voor een specifiek anti-Nederlandse beweging. Dat de woningcrisis grote zorgen veroorzaakt, staat wél vast.
Uit een barometer van het Spaanse onderzoeksinstituut CIS bleek begin 2026 dat 42,6% van de Spanjaarden woningtoegang als een van de belangrijkste problemen van het land noemde. Onder jongeren is de woningproblematiek nog prominenter.
Maar dat is iets anders dan zeggen:
“Spanjaarden zijn boos op Nederlanders.”
Het probleem wordt veel breder ervaren.
En er is nog een kant van het verhaal die gemakkelijk wordt vergeten
De Nederlandse huiseigenaar brengt namelijk ook geld naar Spanje. Niet alleen bij de aankoop. Denk aan:
makelaars, notarissen, advocaten, aannemers, schilders, zwembadbedrijven, tuinmannen, onderhoudsbedrijven, restaurants, winkels, autoverhuur en lokale dienstverleners.
En veel tweedehuiseigenaren verblijven bovendien niet alleen in juli en augustus in Spanje.
SpanjeVandaag schreef zelf eerder dat de groei van het aantal Nederlandse tweedehuiseigenaren juist zorgt voor een meer gespreide stroom van bezoekers gedurende het jaar. Dat betekent dat dezelfde buitenlandse koper die volgens het ene verhaal de woningmarkt onder druk zet, tegelijkertijd ook een klant is voor een groot deel van de lokale economie. Beide dingen kunnen tegelijkertijd waar zijn.
Dus wie heeft er gelijk?
Misschien is het antwoord minder spectaculair dan een stevige kop.
SpanjeVandaag heeft gelijk dat Nederlandse kopers belangrijker zijn geworden en dat buitenlandse vraag in populaire kustgebieden de concurrentie om woningen kan vergroten.** **Maar het gaat te ver om daaruit te concluderen dat Nederlandse “geldmachines” de Spaanse woningcrisis veroorzaken. Daarvoor is het probleem simpelweg te groot en te structureel. De Spaanse woningcrisis wordt gevoed door een combinatie van:
- te weinig nieuwbouw;
- sterke bevolkingsgroei en huishoudensvorming;
- concentratie van vraag in populaire regio’s;
- buitenlandse kopers;
- tweede woningen;
- toeristische verhuur;
- investeringsvraag;
- bureaucratie en trage procedures;
- beperkte bouwcapaciteit.
De buitenlandse koper is dus onderdeel van het verhaal, maar niet het hele verhaal.
En Jávea?
Voor ons in Xàbia is de situatie misschien nog interessanter. Want met bijna 69% buitenlandse kopers is Jávea een van de duidelijkste voorbeelden van een internationale woningmarkt in Spanje. Dat heeft gevolgen.
Voor de prijzen.
Voor de beschikbaarheid.
Voor de samenstelling van wijken.
Maar ook voor de lokale economie en het internationale karakter van de stad.
De vraag die we daarom misschien beter kunnen stellen is niet:
“Zijn Nederlanders het probleem?”
Maar:
“Hoe zorgen we ervoor dat een internationale woningmarkt ook betaalbaar blijft voor de mensen die hier wonen en werken?”
Dat is een veel moeilijkere vraag. Maar waarschijnlijk ook de vraag waar Spanje uiteindelijk iets mee moet. Want zolang er honderden duizenden woningen te weinig zijn, zal het aanwijzen van één groep kopers de fundamentele rekensom niet veranderen.
En misschien is dát wel de belangrijkste reality check achter het verhaal van de Nederlandse “geldmachines”.


